Art. 5.9 Duurzaam bouwen

milieuprestatieberekeningMet dit voorschrift is voorts een landelijk geharmoniseerde systematiek tot stand gekomen waardoor er geen directe behoefte meer is om in relatie tot gebouwprestaties materiaalvoorkeuren uit te spreken, noch op inhoudelijke gronden een voorkeur uit te spreken voor de diverse (reken)systemen.

In het eerste lid is aangegeven dat een woonfunctie een zodanige samenstelling van constructieonderdelen moet hebben dat de uitstoot van broeikasgassen en de uitputting van grondstoffen op een uniforme wijze in kaart kan worden gebracht. Dit maakt het mogelijk dat bouwer en opdrachtgever weloverwogen kunnen kiezen voor het materiaalgebruik met zo min mogelijk milieueffecten. Dit in kaart brengen (kwantificeren) moet worden uitgevoerd volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken van de Stichting Bouwkwaliteit SBK.

Het tweede lid geeft voor een kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m² een zelfde voorschrift als het eerste lid. Onder kantoorgebouw wordt verstaan een gebouw met uitsluitend een of meer kantoorfuncties of nevenfuncties daarvan.
Dat wil zeggen dat bij de bepaling van de gebruiksoppervlakte ook de gebruiksoppervlakte van ruimten van andere gebruiksfuncties, die ten dienste staan van die kantoorfunctie moeten worden meegerekend. Het gaat dan bijvoorbeeld om een kantine of vergaderruimten (bijeenkomstfunctie). Het tweede lid geldt dus niet voor een gebouw met naast de kantoorfunctie een of meer gebruiksfuncties van een andere soort, die geen nevenfunctie van de kantoorfunctie zijn, zoals bij een combinatiegebouw met kantoren en daaronder gelegen winkels.

Volgens het eerste en tweede lid zal de aanvrager van een vergunning voor het bouwen met een berekening aan moeten aangeven wat het duurzaamheidgehalte van het te realiseren bouwwerk is. Wanneer de aanvrager om omgevingsvergunning een berekening overlegt, bepaald volgens de bepalingsmethode «Materiaalgebonden milieuprestatie van gebouwen en GWW» en daarmee aangeeft dat de milieubelasting is overwogen, is aan de in dit artikel gestelde eis voldaan. Het bevoegd gezag kan de vergunning niet weigeren wanneer zij, bijvoorbeeld, een hoger duurzaamheidgehalte van het bouwwerk wenselijk acht. Het staat het bevoegd gezag uiteraard vrij om in zo’n geval een gesprek met de aanvrager van de omgevingsvergunning aan te gaan teneinde hem van de wenselijkheid van een hoger duurzaamheidniveau te overtuigen.

Op grond van het derde lid kunnen nadere voorschriften worden gegeven over het in het eerste en tweede lid bepaalde. Deze nadere voorschriften zullen in ieder geval de datum van uitgifte van de bepalingsmethode betreffen.

  • Lid 1. (Woonfunctie)
    Van de samenstelling van constructieonderdelen van een woonfunctie is de uitstoot van broeikasgassen en de uitputting van grondstoffen gekwantificeerd volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.
  • Lid 2. (Kantoorfunctie)
    Van de samenstelling van constructieonderdelen van een gebouw met uitsluitend kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m² is de uitstoot van broeikasgassen en de uitputting van grondstoffen gekwantificeerd volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.
  • Lid 3. (Woonfunctie, Kantoorfunctie)
    Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over het in het eerste en tweede lid bepaalde.

Vragen?

Heeft u vragen over de milieuprestatieberekening of een van bovenstaande artikelen? Neem gerust contact met ons op.